Samenwonend? Check of je partner recht heeft op pensioen!

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onlangs een brief ontvangen van de 'pensioensector' met een voorstel voor een minimumdefinitie voor het partnerbegrip voor samenwonenden.

BPZ vindt een minimumdefinitie een goede zaak omdat er verschillen zitten tussen pensioenregelingen in de definitie van wie er partner is. Het is belangrijk om te weten of je partner ook echt je partner is in de pensioenregeling. Bij overlijden van de deelnemer wil een partner immers graag een partnerpensioen ontvangen van het fonds. Voor gehuwden en geregistreerde partners is dat duidelijk, voor samenwonenden niet altijd.

Op basis van een wettelijke minimumdefinitie kan de overheid samen met de pensioensector communicatiecampagnes opzetten zodat samenwonenden in de toekomst beter weten welke voorwaarden er gelden en wat zij moeten doen om aan de voorwaarden te voldoen. Het is een minimumdefinitie, dus een ruimere definitie kan nog steeds met dit voorstel.

Om voor deelnemers meer duidelijkheid te geven, doet de pensioensector een voorstel voor een wettelijke minimumdefinitie.

Voorstel voor 4 voorwaarden
Het voorstel voor de wettelijke definitie is dat er aan 4 voorwaarden voldaan moet worden:
1. Duurzame huishouding (hetzelfde adres)
2. Géén familie in de 1e of 2e graad (zoals ouder-kind, broer-zus)
3. Notariële overeenkomst is verplicht
4. De partner moet aangemeld zijn.

Hoe zit het bij BPZ?
Bij BPZ gelden 3 voorwaarden. Deze zijn:
1. Gemeenschappelijke huishouding (hetzelfde adres)
2. Géén bloed- of aanverwant in de rechte lijn (zoals ouder-kind)
3. De gemeenschappelijk huishouding moet bij overlijden ten minste 6 maanden hebben bestaan.

Per saldo is BPZ iets strenger bij de 1e voorwaarde: partners moeten ook echt op hetzelfde adres wonen. Dit blijkt uit de inschrijving bij de gemeente in de Basisregistratie Personen. De 2e voorwaarde is bij BPZ iets ruimer: een broer of zus kan wel een partnerpensioen krijgen als er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Verder stelt BPZ geen notariële overeenkomst verplicht en ook is de aanmelding van de partner niet verplicht. Deze 2 voorwaarden zijn bij BPZ dus soepeler.

Uiteraard is het wel makkelijker als de partner wordt aangemeld, dan hoeft BPZ na overlijden niet zelf te zoeken naar een partner die recht heeft op een pensioen van het fonds. Op 1 punt is BPZ echt strenger: op moment van overlijden moet de gezamenlijke huishouding wel 6 maanden hebben geduurd. Als dat niet zo is, volgt er geen partnerpensioen.

BPZ wacht de ontwikkelingen met betrekking tot de minimumdefinitie af en informeert de deelnemers bij wijzigingen in het pensioenreglement.